Verkeersbegrippen
Verkeersbegrippen uit de rijles: van puntstuk tot weefvak, kort uitgelegd
De woorden die je instructeur gebruikt en die je op het examen moet herkennen: puntstuk, haaientanden, uitritconstructie, weefvak, kijkset, dubbele opdracht, middengeleider en nog veertig andere. Elk begrip in een paar zinnen, met de les waarin je het oefent.
8 min lezen · bijgewerkt
Een rijles zit vol woorden die je nergens anders hoort. Je instructeur gebruikt ze alsof je ze kent, en op het examen moet je ze herkennen zonder erover na te denken. Hieronder de begrippen die in onze lessen voorkomen, per onderwerp, elk in een paar zinnen. Achter de meeste staat de les waarin je het oefent.
Kruispunten en voorrang
Gelijkwaardig kruispunt
Een kruispunt zonder borden, haaientanden of stopstreep. Bestuurders van rechts gaan voor (artikel 15 RVV), ook fietsers. Je herkent het aan wat er ontbreekt. Les: gelijkwaardig kruispunt.
Haaientanden
De witte driehoeken op het wegdek bij bord B6: verleen voorrang aan al het verkeer op de kruisende weg. Stoppen hoeft niet als het vrij is. Les: voorrang verlenen met haaientanden.
Stopbord en stopstreep
Bord B7, het achthoekige bord: altijd volledig stilstaan vóór de witte stopstreep, ook als er niemand aankomt, en daarna voorrang verlenen. Les: stopbord.
Voorrangsweg en voorrangskruispunt
Bord B1 (gele ruit) geeft je voorrang op alle zijwegen tot bord B2. Bord B3, B4 of B5 geeft je voorrang op één kruispunt. Les: voorrangsweg.
Uitritconstructie
Een zijweg die als uitrit is aangelegd: de stoep loopt verhoogd door. Het is geen kruispunt. Wie eruit komt, laat iedereen voorgaan, ook voetgangers op de stoep. Les: uitritconstructie.
Inritconstructie
Hetzelfde als een uitritconstructie, gezien vanaf de andere kant: je rijdt over de doorlopende stoep een zijstraat in. Voetgangers op die stoep gaan voor.
Voorrang verlenen versus voor laten gaan
Voorrang gaat over kruisend verkeer op een kruispunt en is geregeld met borden en tanden. Voor laten gaan geldt bij een bijzondere manoeuvre: dan laat je iedereen voorgaan, van welke kant ook.
Bijzondere manoeuvre
Wegrijden, achteruitrijden, keren, van rijstrook wisselen, invoegen, uitvoegen, een uitrit verlaten (artikel 54 RVV). Bij elk daarvan laat je al het andere verkeer voorgaan. Les: van rijstrook wisselen.
Korte bocht, lange bocht
Rechts afslaan is de korte bocht, links afslaan de lange. Slaan twee bestuurders tegenover elkaar af, dan gaat de korte bocht voor de lange. Les: links afslaan met tegenliggers.
Voorsorteren
Vóór het afslaan je auto op de juiste plaats brengen: links tegen de as van de weg voor linksaf, rechts voor rechtsaf. Hoort na de kijkset en na het aangeven.
Dode hoek
Het gebied naast en schuin achter de auto dat je in geen enkele spiegel ziet. Daar rijdt de fietser bij rechts afslaan. Alleen een blik over je schouder dekt hem. Les: rechts afslaan.
Kijkset
De vaste volgorde van blikken vóór een manoeuvre: binnenspiegel, buitenspiegel aan de kant waar je heen gaat, schouderblik, en dán pas aangeven. Het onderdeel waar de meeste onvoldoendes op het examen vallen.
Roodrijder
Iemand die door rood rijdt op het moment dat jouw licht groen wordt. De reden dat je bij groen eerst het kruispunt in kijkt. Les: verkeerslichten.
VRI
Verkeersregelinstallatie: het officiële woord voor een kruispunt met verkeerslichten. Bij knipperend geel is de installatie buiten werking en gelden de borden en tanden weer.
Snelweg en autoweg
Autosnelweg en autoweg
Autosnelweg (bord G1): gescheiden rijbanen, minimaal 60 km/h, standaard 100 of 130. Autoweg (bord G3): één of twee rijbanen, minimaal 50, meestal maximaal 100. Op beide zijn fietsers, bromfietsen en landbouwvoertuigen verboden.
Invoegstrook
De strook waarop je snelheid maakt om tussen het verkeer op de rijbaan te komen. Invoegen is een bijzondere manoeuvre: de rijbaan gaat voor. Les: invoegen op de snelweg.
Uitvoegstrook
De strook waarop je afremt om de snelweg te verlaten. Je remt pas óp de strook, niet ervoor. Les: uitvoegen van de snelweg.
Puntstuk
Het witte, driehoekige vlak waar een invoeg- of uitvoegstrook de rijbaan raakt, of waar een weg splitst. Je mag er niet overheen (artikel 77 RVV): het markeert waar de strook echt begint of ophoudt. Wie te laat uitvoegt, rijdt over het puntstuk en dat ziet de examinator. Les: weven.
Verdrijvingsvlak
Een gearceerd vlak op het wegdek dat verkeer naar een kant leidt, bijvoorbeeld waar een strook ophoudt. Net als het puntstuk mag je er niet op rijden.
Weefvak
Een stuk snelweg waar een invoegstrook en een uitvoegstrook samenvallen: invoegers willen naar links terwijl uitvoegers naar rechts willen. Beiden maken een bijzondere manoeuvre. Wissel zo vroeg mogelijk. Les: weven.
Ritsen
Om en om invoegen waar twee stroken samenkomen. Het is de norm, geen recht: wie invoegt, blijft de bijzondere manoeuvre maken en laat voorgaan als het niet past.
Spitsstrook en plusstrook
Een spitsstrook is de vluchtstrook die bij drukte wordt opengesteld als rijstrook, herkenbaar aan het groene pijltje op het matrixbord. Een plusstrook is een extra smalle strook links, die ook alleen open is als het bord dat zegt. Bij een rood kruis is de strook dicht.
Bewegwijzering
De blauwe borden boven en langs de snelweg met bestemmingen en afritnummers. Ze staan op 1200, 600 en 300 meter vóór een afrit. Aanwijzingen, geen geboden; de pijlen op het wegdek wel. Les: snelweg met dubbele opdracht.
Inhaalverbod
Bord F1: verboden motorvoertuigen op meer dan twee wielen in te halen. Een doorgetrokken streep mag je nooit overschrijden, ook niet om in te halen. Les: inhalen.
Rotondes
Rotonde en verkeersplein
Een rotonde heeft bord D1 en één rijrichting; bijna altijd heeft de ring voorrang via bord B6 en haaientanden. Een verkeersplein is een groot plein met een rondgaande weg zonder bord D1, waar de gewone voorrangsregels per kruispunt gelden. Les: rotonde binnen de kom.
Toerit en afrit van een rotonde
De toerit is waar je de rotonde oprijdt; de afrit waar je hem verlaat. Rechts aangeven doe je na de afrit vóór de jouwe, niet bij het oprijden.
Turborotonde
Een meerstrooksrotonde waar de stroken op de ring fysiek gescheiden zijn, zodat je op de ring niet meer kunt wisselen. De strook kies je vóór het oprijden, aan de hand van de pijlen. Les: meerstrooks rotonde.
Fietser op de rotonde
Binnen de bebouwde kom heeft de fietser op het fietspad rond de rotonde meestal voorrang; buiten de kom meestal niet. De haaientanden op het fietspad zeggen wie er voor gaat. Les: rotonde buiten de kom.
Wegdek, borden en markering
Middengeleider
Een verhoogd eiland in het midden van de weg, meestal bij een oversteekplaats. Bord D2 zegt aan welke kant je erlangs gaat. Zonder zebra hebben voetgangers er geen voorrang. Les: voetgangersoversteekplaats.
Voetgangersoversteekplaats (zebra)
Witte strepen en bord L2. Voetgangers die oversteken of dat duidelijk gaan doen, laat je voorgaan (artikel 49 RVV). Vlak vóór een zebra mag je niet inhalen.
Komgrens
Bord H1 (begin bebouwde kom) en H2 (einde). Bij H1 rijd je al 50; bij H2 mag je pas ná het bord versnellen. Les: komgrens 80 naar 50.
30-zone en erf
Een 30-zone (bord A1 met "zone") is een gebied van woonstraten waar 30 geldt en de kruispunten gelijkwaardig zijn. Een erf (bord G5) is stapvoets rijden en voetgangers mogen overal lopen. Les: plaats op de weg.
Busbaan en busstrook
Bord F13 en het woord BUS op het wegdek: alleen voor lijnbussen, tenzij een onderbord ander verkeer toelaat. Een strook ligt naast de rijbaan, een baan is een aparte rijbaan. Les: busstrook herkennen.
Fietsstrook en fietssuggestiestrook
Een fietsstrook heeft een fietssymbool en een (onderbroken) streep; je mag er niet op stilstaan of parkeren. Een suggestiestrook is alleen een kleurverschil zonder symbool en heeft geen juridische status. Les: fietsers en brommers.
Doorgetrokken en onderbroken streep
Een doorgetrokken streep mag je niet overschrijden, een onderbroken wel als het veilig is. Een blokmarkering (dikke korte strepen) scheidt een invoeg- of uitvoegstrook van de rijbaan.
Andreaskruis
Het kruisvormige bord bij een spoorwegovergang (J12 enkelspoor, J13 dubbelspoor). Bij dubbelspoor kan na de eerste trein een tweede uit de andere richting komen. Les: spoorwegovergang.
Voorrangsvoertuig
Politie, brandweer of ambulance met blauw zwaailicht én sirene. Alleen dan moet je ruimte maken (artikel 50 RVV). Zwaailicht zonder sirene is geen voorrangsvoertuig. Les: voorrangsvoertuig achter je.
Rijden en examen
Volgafstand en tweesecondenregel
De afstand tot je voorligger, gemeten in seconden: kies een vast punt en tel twee seconden nadat je voorligger het passeert. Bij regen drie. Les: volgafstand.
Anticiperen
Zien wat er gáát gebeuren en daar al op reageren: gas los vóór het bord in plaats van remmen bij het bord. Op het uitslagformulier valt het onder verkeersinzicht. Les: op tijd afremmen.
Plaats op de weg
Waar je auto op de rijbaan rijdt: zoveel mogelijk rechts (artikel 3 RVV), maar met ruimte voor portieren en tegenliggers, in één rustige lijn. Les: plaats op de weg in bochten.
Dubbele opdracht
Een examenopdracht met twee handelingen ineen: "bij het volgende kruispunt rechtsaf en daarna de eerste weg links". Je plant de tweede terwijl je de eerste uitvoert. Les: dubbele opdracht.
Clusteropdracht
Drie of meer aanwijzingen achter elkaar, waarna de examinator zwijgt. Onderdeel van het zelfstandig rijden. Een stap vergeten is geen fout; je vraagt hem opnieuw. Les: clusteropdrachten.
Zelfstandig rijden
Tien tot vijftien minuten van het examen waarin je een navigatiesysteem, een cluster van opdrachten of de wegwijzers volgt zonder aanwijzingen. Les: navigatierijden en les: bordenroute.
Bijzondere verrichtingen
De parkeer- en keermanoeuvres van het examen: vooruit en achteruit inparkeren, keren, de hellingproef, de stopopdracht. Met een goede Tussentijdse Toets krijg je er vrijstelling voor. Les: stopopdracht.
Ingrijpfout
Een fout waarbij de examinator (of een andere weggebruiker) moet ingrijpen om gevaar te voorkomen: een auto van rechts laten remmen, een fietser afsnijden. Eén ingrijpfout is meestal genoeg om te zakken.
Uitslagformulier
Het formulier dat je na het examen krijgt, met per onderdeel (kijktechniek, voorrang, snelheid, afslaan, rotondes, invoegen, bijzondere verrichtingen, zelfstandig rijden) een beoordeling. Na een zakking is dit je oefenlijst; lees hoe slaag ik voor het CBR-praktijkexamen.
Mis je een begrip? Mail het ons; dan komt het hier bij. En wie de begrippen kent maar ze in het verkeer nog niet snel genoeg herkent, oefent ze in de simulator: 34 lessen, 30 dagen, € 25,00.
Veelgestelde vragen
Wat is een puntstuk?
Het witte, driehoekige vlak op het wegdek waar een invoegstrook of uitvoegstrook de rijbaan raakt, of waar twee wegen splitsen. Je mag er niet overheen rijden (artikel 77 RVV). Het puntstuk geeft aan waar de strook echt begint of ophoudt.
Wat is het verschil tussen een busbaan en een busstrook?
Een busstrook is een rijstrook naast de gewone rijstroken, gescheiden door een streep. Een busbaan is een aparte rijbaan, meestal fysiek gescheiden. Voor allebei geldt bord F13: alleen lijnbussen, tenzij een onderbord ander verkeer toelaat.
Wat betekent een bijzondere manoeuvre?
Een handeling waarbij jij al het andere verkeer moet laten voorgaan, ongeacht van welke kant het komt: wegrijden, achteruitrijden, keren, van rijstrook wisselen, invoegen, uitvoegen en een uitrit verlaten. Staat in artikel 54 RVV.
Oefen dit in de simulator
- Weven In een weefvak kruisen invoegers en uitvoegers elkaar — wissel vroeg.
- Uitritconstructie De stoep loopt door: dit is geen kruispunt, en jij laat álles voorgaan.
- Voorrang verlenen met haaientanden Bord B6 en tanden op het wegdek: al het kruisende verkeer gaat voor.
- Komgrens 80 → 50 Bij het kombord zit je al op 50, niet pas erna.
Rijles oefenen zonder auto
34 lessen in een Nederlandse rijlessimulator, 30 dagen lang, zo vaak als je wilt, voor € 25,00. Geen abonnement.
Bestel nu voor € 25,00